Stijloverzicht
Antiek-Encyclopedie.nl: Het informatiepunt voor de antiekliefhebber.

U bevindt zich hier: Home > Stijloverzicht


Romaans
  • PERIODE: ca. 10de-13de eeuw
  • KENMERKEN: sober, zwaar, bijna uitsluitend eikenhout, zwaluwstaartverbindingen versterkt door gesmede nagels, nooit gelijmd
  • MOTIEVEN: ronde bogen, aanvankelijk diep draaiwerk, later minder diepe inkepingen
  • OORSPRONG EN ONTWIKKELING: beÔnvloed door de klassieke, oudchristelijke en Byzantijnse kunst. Ontwikkelde zich voornamelijk vanuit kloostercultuur in Duitsland en Engeland, waar monniken o.a. als meubelmaker werkzaam waren





 
Gotiek
  • PERIODE: 12de Ė 16de eeuw
  • KENMERKEN: zeer decoratieve stijl; gebruik van houtsnijwerk zoals briefpanelen; gebruik van inheems hout en materialen
  • MOTIEVEN: spitsbogen, klaverbladen, maaswerk, rozetten, pinakels, klaverbladen
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: vroege gotiek is ontleend aan de Romaanse bouwkunst en wordt in het midden van de 12de eeuw in Frankrijk aangetroffen; bloeide in ItaliŽ tot ca. 1400; door gedrukte prenten verspreid vanaf ca. 1500; in Noord-Europa en het Iberisch schiereiland tot eind 15de/ begin 16de eeuw; wedergeboorte als Neogotiek in Engeland vanaf 1740 als een licht decoratieve stijl; herintroductie in Europa (vanaf 1820) en Noord-Amerika (vanaf 1840)

Renaissance
  • PERIODE: 13de Ė 17de eeuw
  • KENMERKEN: klassieke architectonische ordening; symmetrie
  • MOTIEVEN: vazen, kandelaars, nimfen, mythologische en bijbelse personen, kariatiden, maskers, putti
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: begon en bloeide in ItaliŽ, met Florence als centrum; door Italiaanse vakmensen in Frankrijk geÔntroduceerd en door de rest van Noord-Europa verspreid via voorbeeldboeken. In Engeland en de Nederlanden was de invloed het sterkst in de 17de eeuw; wedergeboorte in ItaliŽ (1840-1890), Noord-Amerika (1850-1880) en Engeland vanaf 1860







 
Barok
  • PERIODE: 17de tot begin 18de eeuw
  • KENMERKEN: zwaar, groots en theatraal; gebeeldhouwde uitstulpende vormen; rijk houtsnijwerk en sierlijsten; rijk verguld; asymmetrisch
  • MOTIEVEN: adelaars, trofeeŽn, putti, kariatiden, frontons, festoenen, leeuwenklauwpoten
  • ONTWERPERS: Andreas Brustolon; Andrť-Charles Boulle; Daniel Marot
  • VORSTEN : Lodewijk XIV, Karel II, William en Mary
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: ontstond in Rome, waar de stijl representatief was voor de rooms-katholieke kerk; bloeide aan het hof van Lodewijk XIV te Versailles; door hugenoten na herroeping van het Edict van Nantes(1685) naar de Nederlanden en Groot-BrittanniŽ verspreid

Rococo
  • PERIODE: begin tot midden 18de eeuw
  • KENMERKEN: licht, speels, informeel; landelijke tafereeltjes; vloeiende vormen; asymmetrie; pastelkleuren; lichtgetinte houtsoorten; ruitmotieven; licht verguld
  • MOTIEVEN: bloemen, C- en S-vormige krullen, schelpen rocaille, krullen, grotesken, chinoiserieŽn, singerieŽn
  • ONTWERPERS: Jean Bťrain I; Juste-AurŤle Meissonnier, Nicholas Pineau
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: in Frankrijk na de Rťgence (1715-1723) als een reactie op de zware vormen van de Barok; verspreid naar Duitsland, Oostenrijk, Groot-BrittanniŽ en Noord-Amerika; herleefde in Europa van 1820-1860 als een reactie op de strenge Empire, en weer tussen 1880 en 1900


 
Neoclassicisme
  • PERIODE: midden tot einde 18de eeuw
  • KENMERKEN: vormen uit de Klassieke Oudheid; rationaliteit; symmetrie
  • MOTIEVEN: vazen, urnen, guilloches, meanderranden, palmmetten, korenaren, fasces, trofeeŽn, griffioenen, anthemions, sfinxen, lauwerkransen, klassieke architectuurordeningen
  • ONTWERPERS: Robert Adams; James Athenian Stuart; Karl Friedrich Schinkel; Benjamin Henry Latrobe; Samuel McIntre
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: reactie op de excessen van de Rococo; interesse in de stijlen van het oude Griekenland en Rome, gestimuleerd door de Grand Tour en door opgravingen als die van Herculaneum (1738) en Pompeji (1748); ontwikkelde zich tot Lodewijk XVI, Federal (Noord-Amerika), Etruskisch, Regency en Empire


Georgian
  • PERIODE: ca. 1714 Ė ca. 1790
  • KENMERKEN: vroeg Georgian (ca. 1714-1740): architectonisch in stijl; mid Georgian (1740-1760): licht asymmetrische Rococo laat Georgian (na 1760): strikt Neoclassicistisch van ca. 1790-1830: meestal Regency genoemd
  • MOTIEVEN: vroeg: gebeeldhouwde adelaars, hermen, festoenen, maskers midden: chinoiserieŽn, singerieŽn, laat: festoenen, meanderranden, rozetten, vazen
  • ONTWERPERS: William Kent; Matthias Lock; Thomas Chippendale; George Hepplewhite; Thomas Sheraton
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: vroeg: weerspiegeling van de Britse interpretatie van het Palladianisme midden: Rococo laat: Neoclassicisme Werd Regency vanaf ca. 1790





 
Regency/Empire
  • PERIODE:
    Regency: (Groot-BrittanniŽ): 1790-1830;
    Empire: (Frankrijk): ca. 1804-1815
  • KENMERKEN:
    Regency: zwaar classicistisch, zwaarder
    dan Georgian;
    Empire: strenge classicistische rechtlijnige vormen
  • MOTIEVEN: acanthusbladeren, guilloches, dierenmaskers, monopodia, dolfijnen, palmetten, gevleugelde leeuwen, adelaars; Egyptische motieven, scarabeeŽn, bijen (Napoleons embleem), zwanen (Josephines embleem)
  • ONTWERPERS: George Smith; Thomas Hope; Percier en Fontane
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING:
    Regency: genoemd naar het regentschap (1811-1820) van de Prince of Wales, de latere George IV;
    Empire: stijl geÔnspireerd door het oude Rome en gebruikt ter verheerlijking van regering, keizerrijk en militaire overwinningen van Napoleon

Victoriaans
  • PERIODE: 1837-1901
  • KENMERKEN: wedergeboorte van historische stijlen; toenemende nadruk op zware versieringen en snijwerk; meubelbekleding met diepe knopen; massaproductie; nieuwe materialen; nieuwigheidjes in ontwerpen; overdreven ornamentiek
  • MOTIEVEN: ontleend aan historische stijlen; motieven en elementen uit verschillende periodes, vaak samen gebruikt (Eclecticisme)
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: de Great Exhibition in Londen (1851) en latere internationale tentoonstellingen bevorderden de interesse in de historische stijlen die in heel Europa en Noord-Amerika modieus werden; een tot welstand komende burgerij en de toenemende rijkdom van de middenstand bevorderden de consumptie en de vraag naar goedkope massaproducten

 
Arts and Crafts
  • PERIODE: 1860-1939
  • KENMERKEN: eenvoudige, traditionele, inheemse vormen; vakmanschap; met de hand gesmede metalen; zichtbare pen-en-gatverbindingen, inheems hout; doet middeleeuws aan
  • MOTIEVEN: naturalistisch; versiering passend bij het ontwerp; Keltisch; Japans
  • ONTWERPERS: William Morris; John Ruskin; C.R. Ashbee; Christopher Dresser; Elbert Hubbard; Gustav Stickley
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING: Britse stijl gebaseerd op het gedachtegoed van William Morris, die beÔnvloed was door John Ruskin en A.W.N. Pugin; verwerping van de overdadig versierde en slecht ontworpen Victoriaanse stijl; talrijke handwerksgilden werden gevormd; filosofie verspreidde zich over Europa en de Verenigde Staten

Art Nouveau
  • PERIODE: 1890-ca.1910
  • KENMERKEN: vloeiende, organische, asymmetrische vormen; gestileerd Naturalisme; Symbolisme; exotische houtsoorten, marquetrie
  • MOTIEVEN: zweepslag; planten en bloemen; insecten; vrouwen met lange, vloeiende lokken en doorschijnende kleding
  • ONTWERPERS: Victor Horta; Emile Gallť; Louis Majorelle; Hector Guimard; Renť Lalique; Louis Comfort Tiffany
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING : naam is ontleend aan La Maison de líArt Nouveau van Samuel Bing te Parijs; beÔnvloed door Arts en Crafts, Japanse kunst en Hortaís ontwerpen in BelgiŽ; stijl verspreidde zich vooral naar Engeland, ItaliŽ, Spanje, Duitsland, Oostenrijk en de Verenigde Staten; herontdekt in de jaren zestig
 
Art Deco
  • PERIODE: ca. 1918-1940
  • KENMERKEN: gestroomlijnde gestileerde vormen gebaseerd op machines en abstracte kunst; heldere uitgesproken kleuren beÔnvloed door Kubisme en Futurisme; elementen van Afrikaanse kunst, Egyptische kunst (na opening graf van Toetanchamon in 1922); kunstmatige materialen als verchroomd staal en bakeliet
  • MOTIEVEN: modieuze dames, chevrons, zigzagpatronen, zonnen, bliksemschichten, abstracte geometrische patronen
  • ONTWERPERS: Jacques-Emile Ruhlman; Clarice Cliff; Donald Deskey
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING : ontstaan in Frankrijk; vroege decoratieve en luxueuze stijl ontwikkelde zich tot de Moderne Beweging, die afstand nam van het ornament


Naoorlogs Design
  • PERIODE: vanaf ca. 1945
  • KENMERKEN: organische, biomorfische, asymmetrische vormen; niet natuurlijke materialen: gebogen multiplex, plastics, glasvezel, pvc, synthetische vezels; sterke, heldere kleuren; massaproductie
  • MOTIEVEN: abstracte motieven uit de wereld van de wetenschap, zoals atomaire en moleculaire structuren; film- en tekenfilmpersonages
  • ONTWERPERS: Ettore Scottsass; Charles Eames; Piero Fornasetti; Verner Panton; Arne Jacobsen; Eero Saarinen
  • OORSPRONG en ONTWIKKELING : tijdens WO II ontwikkelde nieuwe technieken en materialen lieten nieuwe vormen en constructiemogelijkheden toe ; massaproductie bevorderde wegwerpconsumptiegoederen en snelle reacties op veranderende stijlen
 
SNP Cultuurreizen
Voor reizigers die de natuur en cultuur van een land in eigen tempo willen ontdekken. Niet enkel vanachter het raampje van een touringcar of op loodzware wandeltochten. Veel zien en beleven, actief maar niet teveel en vooral veel vrijheid. Groepsreizen, individueel en maatwerkopties. Kijk verder voor verre rondreizen, themareizen, fotografiereizen, natuursafariís en arctische natuurexpedities.
Visie | Disclaimer | Bronvermelding | Contact | ©2006-2010 Antiek-Encyclopedie.nl